Sportbeleving in Lier

By 29 maart 2018Nieuws

De luxe die onze stad ooit beleefde met twee bijna topvoetbalclubs, basket- en volleybal in hoogste klasse en heel goede individuele sporters, is momenteel niet meer aan de orde. Er zijn weliswaar heel wat ploegsporten die presteren net onder het topniveau, en bijna met de regelmaat van de klok slaagt er een individuele sporter in zich op te hijsen tot een provinciale of zelfs nationale titel.

Lier kan echter beter. Onze stad heeft het vooruitzicht op een gloednieuwe sporthal op haar grondgebied, de derde, dit keer op de site van het atheneum campus Arthur Vanderpoorten. Daarenboven is er dit jaar in deze school al gestart met een heuse sporthumaniora. Dit kan heel wat jongeren met sportieve ambities aantrekken en zal het materiële niveau van de sportbeoefening aanzwengelen.

We zijn als lokaal beleid niet verantwoordelijk voor het aanbod en het inhoudelijke aspect van sportbeoefening. Daar zijn de talrijke clubs en het onderwijs de meest geschikte spelers voor.

Maar het is wel een taak van de (lokale) overheid te voorzien in ondersteunende en faciliterende maatregelen voor optimale sportbeoefening. Geen voetballende jongeren zonder voetbalterreinen, geen zaalsporten zonder sporthal, geen zwemmers zonder zwembad en geen atleten zonder atletiekpiste.

Het zwembad en de atletiekpiste zijn in de voorbije decennia gebouwd en vernieuwd. Een derde sporthal wordt momenteel uitgetekend; en jeugdvoetbalterreinen liggen, na een lange en moeilijke aanloop, eindelijk in het verschiet.

Voor twee van de drie sporthallen wordt samengewerkt met het Gemeenschapsonderwijs. Dit is een vorm van publiek-publieke samenwerking waar ik heel blij mee ben.

In Lier betekent dit een win-win: de school zal van de gloednieuwe sporthal gebruik kunnen maken voor o.a. haar sporthumaniora, en de stad kan haar sportclubs een kwaliteitsvol en efficiënt onderkomen aanbieden na de schooluren.

Voor de aanleg van voetbalterreinen, deels op gronden van het OCMW, is een onteigeningsplan opgesteld en moet er nu verder werk gemaakt worden van een effectieve realisatie. Dat dit deels op gronden van het OCMW gebeurt moet garanderen, zeker in dit specifieke geval, dat clubs hun sociale verantwoordelijkheid opnemen.

Dit betekent dat alle kinderen, niet alleen de besten, niet alleen wie het soms hoge lidgeld of de dure uitrusting kan betalen, er aan sport moeten kunnen doen. De inspanningen van de overheid, in het bijzonder de investeringen in infrastructuur, gebeuren voor iedereen.

Sport kan, misschien meer nog dan cultuur, verbindend en integrerend zijn. De overheid heeft hierin een rol te spelen en moet toekijken op uitsluitende en drempelverhogende effecten van sommige initiatieven. Als de overheid investeert mag ze ook eisen stellen. Als sportclub een sociaal beleid voeren, kan er daar één van zijn.

Marleen Vanderpoorten