Monthly Archives

december 2011

07/12/2011: actuele vraag aan minister Smet

By | Nieuws | No Comments

 Actuele vraag van mevrouw Marleen Vanderpoorten tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de onrust bij de plattelandsscholen met betrekking tot de hervorming van de financiering van het basisonderwijs

Actuele vraag van de heer Boudewijn Bouckaert tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de onrust bij de plattelandsscholen met betrekking tot de hervorming van de financiering van het basisonderwijs

De voorzitter:

De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert:

Voorzitter, op het Vlaamse platteland heerst enigszins een Boerenkrijgsfeer. Een aantal directeurs van schooltjes in de Westhoek en in dorpen als Velzeke, Zwalm of Elgesem in de mooie Vlaamse Ardennen hebben allemaal dezelfde klachten. Ze trekken aan de alarmbel.

Langs de ene kant is er een goednieuwsshow. Er is dan ook goed nieuws. Het kleuteronderwijs krijgt 49 miljoen euro meer. Dat zal 1300 jobs en een betere omkadering opleveren. Op zich is dit pico bello. Langs de andere kant zou er echter een plan bestaan om de telling van de leerlingen in de kleine schooltjes grondig aan te passen. Indien de scholen tenminste 2 kilometer van elkaar verwijderd, worden de kinderen nu apart geteld. Dat zou echter veranderen. Die schooltjes zullen worden samengeteld. Dit zal nadelige gevolgen voor de omkadering hebben. De schooltjes zullen misschien moeten sluiten, klassen bij elkaar voegen en dergelijke.

Minister, dit plan veroorzaakt veel onrust in suburbaan Vlaanderen. Bent u van plan de financiering van die schooltjes in die zin te wijzigen? Nu de bakkers zijn verdwenen, vormen die schooltjes vaak het enige bindmiddel. Hoe wilt u die dorpsschooltjes in leven houden?

De voorzitter:

Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten:

Voorzitter, ik sluit me graag bij de heer Bouckaert aan. We waren destijds verheugd met het ontwerp van decreet dat de minister heeft aangekondigd. Het is belangrijk dat het kleuteronderwijs meer geld en meer leerkrachten krijgt. De vraag is natuurlijk of we die leerkrachten ook zullen vinden. Hoewel we heel blij waren, bleek er al gauw een addertje onder het gras te zitten. Een van de gevolgen is blijkbaar dat kleine scholen misschien moeten sluiten. Dit lijkt me de bedoeling van heel dit opzet.

Ik heb de minister voor de zomer gevraagd hoe het zat. Hij verklaarde dat pas na de zomer een beslissing zou worden genomen. Eind oktober 2011 heb ik die vraag herhaald. Hij heeft toen verklaard dat half november 2011 een beslissing zou worden genomen. Nu blijkt dat de knoop pas in januari 2012 zal worden doorgehakt.

Ik stel vast dat er heel wat onrust heerst. Er worden briefacties en dergelijke opgezet. Het decreet zou op 1 september 2012 moeten ingaan. Het wordt dan ook stilaan tijd dat de scholen te horen krijgen of ze al dan niet kunnen voortwerken.

Het gaat niet om een gewoon verzameldecreet. Het aangekondigd ontwerp van decreet is fundamenteel en moet door uitvoeringsbesluiten worden gevolgd. Ik zou de minister dan ook willen vragen wanneer een beslissing zal worden genomen en wanneer de scholen zekerheid zullen krijgen.

Daarnaast wil ik opmerken dat dit onderwerp eigenlijk niet in dat ontwerp van decreet past. Het gaat over een fundamentele ingreep in het onderwijslandschap. De Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) heeft overigens dezelfde opmerking gemaakt.

De voorzitter:

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet:

Voorzitter, de Vlaamse Regering heeft niet voor een gemakkelijkheidsoplossing gekozen. Indien we in een nieuw geld voorzien, willen we ook structurele veranderingen doorvoeren. We hebben een voorontwerp van decreet betreffende de omkadering van het basisonderwijs opgesteld. We zijn nagegaan hoe we de middelen aan de scholen kunnen toewijzen. We hebben ook geprobeerd hier transparantie, eerlijkheid en duidelijkheid in te brengen.

Dus, mijnheer Bouckaert, ik denk dat u tot een partij behoort die dat graag wil. We zijn vertrokken vanuit die principes en we hebben dan ook een eerlijk systeem uitgewerkt. Dat is voor een eerste lezing bij de regering beland. We hebben geen goednieuwsshow gebracht of zaken verdoezeld. Ik heb twee dingen heel duidelijk gezegd, en ik herhaal ze vandaag. Een, ik vind het heel belangrijk dat in lokale gemeenschappen scholen blijven bestaan omdat het inderdaad een bindmiddel is. Twee, omdat we een nieuw omkaderingssysteem maken dat transparanter en eerlijker is, en de uitersten dichter naar elkaar moet brengen, zullen er scholen zijn die qua lestijden dalen.

Er zijn in Vlaanderen scholen waar de ratio leerling/leerkracht dertien op één is, terwijl dat bij andere veel hoger ligt. Als dat van dertien naar vijftien gaat, is dat nog altijd geen catastrofe. Ze zitten daarmee nog altijd goed onder het Vlaamse gemiddelde. We hebben in het eerste voorstel al opgenomen dat de kinderen in de plattelandsgemeenten tellen voor 1,1. Ze worden dus al meer gewogen. Ik heb toen gesproken over een overgangsbepaling en een structurele oplossing voor het voortbestaan van de lokale scholen. Momenteel loopt nog de discussie over de vragen: wat is een lokale gemeenschap? En wat is een goede afstand om een school te plaatsen?

Dat neemt iets meer tijd in beslag omdat we heel gedetailleerde informatie hebben opgevraagd. Het heeft lang geduurd voor de administratie die informatie kon geven. We zijn nu wel in staat om voor elke school de juiste afstand tot een andere school te berekenen. We kunnen nu bekijken wat dat heel concreet betekent per school op niveau. We wisten dat al in de lestijden, we gaan dat nu verder verfijnen. We gaan na hoe we onze belofte dat lokale scholen in lokale gemeenschappen kunnen blijven bestaan, kunnen waarmaken. Er zullen scholen lestijden verliezen. We gaan na hoe we dat op een objectiveerbare transparante en rechtvaardige manier kunnen doen.

We blijven de timing van 1 september 2012 aanhouden. Het ontwerp van decreet zal midden januari wellicht voor een tweede lezing bij de regering passeren. Ik hoop dat we in de komende dagen of weken nog een akkoord kunnen vinden over de principes. Het is inherent aan onderwijs, dat weet u ook mevrouw Vanderpoorten, dat over het voorstel van de minister wordt onderhandeld, dat er commentaar komt, dat de mensen bezorgd zijn, dat er gelobbyd wordt.

Ik hoop dat u ook de bezorgdheid van de Vlaamse Regering deelt. Als we 52 miljoen euro – een groot bedrag in deze tijd – recurrent in het basisonderwijs investeren, willen we de verdeling ervan eerst bestuderen. We willen dat op een eerlijke en duidelijke manier doen. Ik begrijp dat verandering onrust wekt. Het is aan ons om die bezorgdheid weg te nemen en goede argumenten te vinden voor het eventuele verlies van lestijden.

De heer Boudewijn Bouckaert:

Minister, uit uw antwoord blijkt dat er nog geen definitieve beslissingen zijn genomen en dat we nog moeten wachten tot september 2012.

Minister Pascal Smet:

Nee, januari.

De heer Boudewijn Bouckaert:

Waarvan akte.

Ik ben blij dat u inziet dat er voor de dorpsscholen iets speciaals moet gebeuren. U geeft het cijfer van 1,1. Ik weet niet of dat voldoende is. U moet zich goed realiseren, minister, dat dorpsscholen voordelen hebben die Onderwijs overstijgen. Als er wordt gecentraliseerd moeten de ouders over en weer rijden. Dat heeft een impact op de mobiliteit en het milieu. Ik wil de vraag benadrukken om echt zorg te dragen voor het dorpsweefsel. Dat heeft goede voorbeelden. Ik heb zelf een dochter in zo’n dorpsschooltje, en dat is Vlaanderen op zijn best. Dat is een kleinschalig schooltje met een heel goede sfeer, waar ook de integratie van allochtone kinderen op zijn best verloopt.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten:

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Uiteraard heb ik alle respect voor de extra middelen die naar dit onderwijsniveau gaan. Ik wil echter ook een bezorgdheid uiten. Toen destijds het GOK-decreet werd goedgekeurd, waren er twee bezorgdheden: geld voor de GOK-kinderen en geld voor de zorgkinderen die over alle scholen verspreid zitten. Ik wil voorkomen dat door het accent te leggen op de grote steden en de GOK-elementen, de zorg in het gedrang komt. Als men kleine scholen minder gaat financieren, kan de zorg daaronder lijden. Als dat niet het geval is, des te beter.

De voorzitter:

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer:

Het zal niemand verbazen dat ik me aansluit bij deze vraag. Dorpsscholen zijn immers bijzonder belangrijk voor de kwaliteit van het onderwijs en voor het sociale weefsel van het platteland. Ongeveer 950 schooltjes hebben meerdere vestigingsplaatsen. Wanneer ze gelegen zijn op meer dan 2 kilometer afstand van elkaar, tellen ze apart.

Minister, ik pleit ervoor om die aparte telling minimaal voor plattelandsgebieden en randstedelijke gebieden te behouden en/of de verfijning die er nu reeds is voor het platteland met minder dan 200 inwoners per vierkante kilometer nog verder aan te passen. Tot nu toe spreken we slechts over een twintigtal gemeenten in Vlaanderen. Dat is veel te beperkt en bedreigend voor een aantal dorpsscholen.

De voorzitter:

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge:

Collega’s, minister, ik ben blij dat u wakker wordt. Al een jaar stel ik vragen aan de minister over de nieuwe omkadering van het basisonderwijs. We hebben een rapport besproken van het Rekenhof dat een evaluatie had gemaakt van het GOK-decreet. Wij zijn decretaal verplicht die evaluatie te doen na 3, 6 en 9 jaar, maar u laat dat na. U hebt aangekondigd dat u de GOK-financiering wilt uitbreiden naar een reguliere financiering voor het basisonderwijs. De kleine schooltjes vrezen dat op basis daarvan meer middelen zullen gaan naar scholen in de steden en niet naar de plattelandsscholen.

Minister, u zegt dat u een eerlijk systeem wilt met objectieve criteria. In het rapport van het Rekenhof staat dat de criteria voor het GOK-onderwijs geen objectieve criteria zijn voor reguliere financiering. Ik stel dan ook voor dat de voorzitter van de commissie vraagt dat er een opvolgingsaudit zou gebeuren door het Rekenhof van die GOK-criteria. Ik denk dat alle collega’s daarmee akkoord zullen gaan. Het Rekenhof kan dan bepalen of die GOK-criteria die u wilt uitbreiden naar de reguliere financiering, objectief zijn. Dat zal pas een basis zijn voor de plattelandsscholen om te reageren.

De voorzitter:

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Deckx:

Minister, wat hier belangrijk is, is dat u extra zult investeren en dus meer geld ter beschikking stelt. We horen hier al geruime tijd dat het water bepaalde kleuter- en basisscholen aan de lippen staat. In bepaalde klassen zitten te veel kinderen.

Ik kan me voorstellen dat dit een evenwichtsoefening wordt, ondanks de extra middelen. In klassen met weinig leerlingen zullen er extra leerlingen bij moeten komen. Minister, ik heb u nergens horen zeggen dat u aan de middelen zult raken die nu via het GOK-decreet aan scholen worden toegekend. Ik ga ervan uit dat dit heel evenwichtig zal worden bekeken. Ik begrijp ook dat sommige scholen nu al aan de alarmbel trekken. Er circuleren immers geruchten. Ik ben er echter van overtuigd, minister, dat u zult zorgen voor een evenwichtige verdeling van de middelen en dat u zult komen tot een goede oplossing.

De voorzitter:

Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis:

Ik sluit mij graag aan bij de twee vraagstellers en de betogen van de collega’s.

Minister, u zegt dat er 52 miljoen euro werd geïnvesteerd om de basisscholen beter te omkaderen. Ik neem aan dat dat cijfer correct is.

Er zijn heel wat spookverhalen in omloop over de normen, de besteding en de grootte van klassen. We waren het er, over de partijgrenzen heen, over eens dat we naar kleinere klassen moeten streven via de middelen die daarvoor werden uitgetrokken.

Minister, het lijkt mij verstandig dat u oog hebt voor de specifieke noden van scholen op het platteland en dat u om een tweede lezing hebt gevraagd. Kinderen die uit een zeer kleine school komen, vallen in het secundair onderwijs meteen op door de rust die ze uitstralen.

Minister, ik vraag u zeer duidelijk te zijn in uw communicatie, zodat de scholen weten waar ze aan toe zijn en zodat die basis kan blijven staan.

De voorzitter:

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Elisabeth Meuleman:

Minister, de dorpsscholen zorgen inderdaad voor zeer levendige plattelandsgemeenten. Ik hoor dat u eerlijke systemen en objectieve criteria wilt uitwerken. U zou daarbij vooral een afstandsregel in acht willen nemen.

Ik waarschuw u dat in onderwijs alles niet zomaar te objectiveren valt. Sommige scholen liggen in afstand misschien wel dicht bij elkaar, maar worden van elkaar gescheiden door een grote snelweg, waardoor het zinvol is om de beide scholen te behouden. Ik vraag u voorzichtig te zijn met berekeningen van computerprogramma’s en het opstellen van regels van achter een bureau. U hebt zo al geprobeerd de klasgrootte te objectiveren en stelde dat er gemiddeld 20 kinderen in een klas zitten. Dat is echter in het verkeerde keelgat geschoten van de mensen uit het onderwijs. Ze zijn namelijk vet met een gemiddelde van 20, wanneer er uitschieters van 30 kinderen zijn enerzijds en heel kleine klassen anderzijds.

Minister, ik zou dus opletten als ik u was en proberen die dorpsscholen te behouden, omdat die essentieel zijn voor het sociale weefsel op het platteland.

Minister Pascal Smet:

Ik begrijp de bezorgdheid. Het siert u dat u wilt opkomen voor uw scholen. Ik vind zelf dat lokale scholen moeten blijven bestaan in lokale gemeenschappen. Dat is inderdaad essentieel voor het lokale weefsel op het platteland. Mijnheer Bouckaert, dat platteland bestaat overigens wel degelijk. U moet niet doen alsof Vlaanderen één grote stad is. Er zijn maar een paar steden in Vlaanderen. Daarnaast zijn er suburbane gebieden en ook het platteland.

Nogmaals , ik begrijp de bezorgdheid.

Mijnheer De Meyer, u hebt er terecht op gewezen dat we in de eerste lezing van het ontwerp van het decreet een aantal bepalingen hebben opgenomen. Zo ook dat een kind in een plattelandsgemeente met minder dan 200 inwoners per vierkante kilometer, meer weegt dan in een doorsneegemeente in Vlaanderen, namelijk 1,1. Op het moment dat ik dat heb voorgesteld, heb ik duidelijk gezegd dat dat verder moet worden verfijnd en dat we verder naar een structurele oplossing moeten zoeken. Men wist dat dus. Het is niet ‘stoemelings’ gebeurd.

Ik wil een aantal misverstanden wegwerken. In de nieuw uitgewerkte regeling is het niet zo dat het platteland moet betalen voor de stad. Dat kan ik ook met cijfers aantonen. In de steden zijn er ook scholen die zullen moeten inleveren qua aantal lestijden. Platteland en stad zijn dus neutraal. Het ene compenseert het andere niet.

Ten tweede suggereren sommigen dat we die 52 miljoen euro voor het kleuteronderwijs gaan halen zijn bij het lager onderwijs. Dat klopt niet. Die 52 miljoen euro is extra, nieuw geld dat recurrent, dus elk jaar opnieuw, wordt geïnjecteerd. In het huidige voorstel zal het lager onderwijs 2 procent winnen en het kleuteronderwijs 8 procent. Ze winnen dus allebei. Het is niet zo dat het lager onderwijs moet betalen voor het kleuteronderwijs.

Het derde misverstand is dat we de GOK-criteria over alle scholen zouden uitbreiden. Ook dat klopt niet. In het regeerakkoord staat dat we die GOK-middelen zullen ontkleuren. De scholen moeten nog wel een GOK-beleid voeren, maar de middelen worden ontkleurd. Bovendien zit daar ook een bandbreedte in: een deel van die middelen wordt daar specifiek aan gegeven. Het is dus niet zo dat plotseling alleen nog de GOK-criteria zullen tellen om de omkadering over heel Vlaanderen te tellen.

Men mag ook niet vergeten dat we ook Nederlands als aparte indicator meenemen. Voor heel wat scholen in Vlaanderen, ook in plattelandsgemeenten, is dat een wenselijke zaak.

Ik begrijp de bezorgdheid die er is. Mevrouw Meuleman, we zijn nu aan het objectiveren. U hebt wel een heel merkwaardige uitspraak gedaan. Ik vind dat je in het leven veel dingen kunt objectiveren. Je kunt bepaalde emoties misschien niet objectiveren, maar veel dingen wel. Dat betekent niet dat de ratio altijd juist is, dat is nog iets anders, maar ik denk wel dat cijfers heel wat kunnen vertellen. Ik denk ook niet dat er in Vlaanderen zoveel autostrades zijn dat er plots tussen twee kleine schooltjes een autostrade loopt. De uitzondering is een uitzondering en laat dat een uitzondering blijven.

Laat ons vooral nagaan hoe we op een redelijke manier kunnen definiëren wat een lokale gemeenschap is en welke afstand nodig is om het lokale weefsel op het platteland veilig te stellen. Deze oefening zijn we nu aan het maken, en daarom hebben we die cijfers opgevraagd.

Als de Vlaamse Regering beslist om recurrent 52 miljoen euro te investeren, dan moeten we tegelijk ook naar de fundamenten van het omkaderingssysteem durven te kijken, want anders zal de Vlaamse Regering niet goed bezig zijn.

De heer Boudewijn Bouckaert:

Minister, u hebt de bezorgdheid begrepen. We vieren vandaag veertig jaar Vlaams Parlement. Bij de uitreiking van het boek deze ochtend zei een van de sprekers dat het scheppen van een nieuw ‘wij-gevoel’ in Vlaanderen een van de grootste uitdagingen voor Vlaanderen is.

Ik denk dat deze discussie daar een beetje bij aansluit. Ik koppel een aantal dingen aan elkaar. Ik lees bijvoorbeeld in de Stadsmonitor dat de stedelijke bevolking stijgt, maar dat de jonge gezinnen de stad ontvluchten en suburbaan gaan wonen. Ik lees bijvoorbeeld ook dat u voorstelt om in de stad totaal andere onderwijsmethodes te creëren die afgestemd zijn op de leefwereld van de kinderen in de stad. Ik lees ook dat bij de leerkrachten in het plattelandsonderwijs het gevoel leeft dat steden zeer sterk bevoordeeld worden in omkadering. Er worden cijfers gegeven van vijf keer meer. We dreigen daardoor te evolueren naar het gevoel dat er een duaal onderwijslandschap is, zodat er op de duur twee ministers van Onderwijs nodig zijn: een minister van Onderwijs in de steden en een minister van Onderwijs op het platteland. Voor die laatste functie zou ik dan zeker de heer De Meyer voorstellen.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten:

Minister, ik onthoud uw bezorgdheid, maar ik onthoud ook dat nog niet alle fracties op dezelfde lijn zitten, ook niet binnen de meerderheid. We zullen het in de gaten houden en het debat zal zeker worden voortgezet.

De voorzitter:

Het incident is gesloten.

Frans vanaf het derde leerjaar

By | Nieuws | No Comments

Open Vld stelt voor om het onderwijzen van Frans al wettelijk verplicht te maken vanaf het derde jaar van het gewoon lager onderwijs. Dat is nu pas verplicht in het vijfde en zesde jaar. ‘Hiermee erkennen we het belang van het talenonderwijs, ook op jonge leeftijd. Dat is een bekommernis die we delen met de Vlaamse regering, zoals bleek in haar talennota’, stelt Vlaams volksvertegenwoordiger Marleen Vanderpoorten.Het voorstel van decreet waarin de wettelijke regeling wordt aangepast, staat morgen op de agenda van de commissie Onderwijs. Het voorstel behoudt ook de mogelijkheid om in Brussel al vanaf het eerste leerjaar onderricht in het Frans te geven.

 
Volgens Marleen Vanderpoorten heeft op jongere leeftijd Frans leren grote voordelen. “De vaardigheid om op jonge leeftijd een nieuwe taal te leren, helpt op latere leeftijd ook de verwerving van andere vreemde talen te bevorderen. Tijdens de vroege jeugdjaren zijn kinderen immers erg ontvankelijk voor leerprocessen zoals taalverwerving. Hoe vroeger men een taal aanleert, hoe gemakkelijker het ook wordt een goede uitspraak aan te leren.”

 
Vroege taalverwerving heeft ook culturele voordelen, stelt Vanderpoorten. “Kinderen die van kindsaf aan naast de moedertaal ook een andere taal aanleren, zullen beter beseffen dat vreemde talen leren nodig en belangrijk is. Een vroeg contact met andere talen stimuleert bij kinderen ook openheid voor diversiteit, voor sociale cohesie, voor culturele verschillen. Op langere termijn zorgen deze voordelen ook voor economische meerwaarde, omdat een grotere kennis van vreemde talen in een globale wereld een voordeel is. Vlamingen staan al voor hun talenkennis bekend, we moeten die troef verder ontwikkelen.”

Akkoord over aanpassing verkeerscirculatie

By | Nieuws | No Comments

2 december 2011 – Open Vld, CD&V, Lier Leeft en Lier&Ko kwamen gisteren tot een conclusie over de verkeerscirculatie in de stad op basis van het rapport ‘Evaluatie nieuwe verkeersorganisatie’ opgesteld door verkeersdeskundig bureau Tritel.

Het Zimmerplein wordt in één richting opnieuw doorrijdbaar voor automobilisten die van de Mechelsepoort via de Kanunnik Davidlaan en de Begijnhofstraat richting Molpoort willen. Dit betekent dat de voetgangerszone op het Zimmerplein opgeheven wordt. Door de rijrichting van de Kan. Davidlaan en Kapucijnenvest om te keren dienen de auto’s die de parkeergarage verlaten weg te rijden via de Mechelsestraat .In de Kan. Davidlaan en Begijnhofstraat zullen snelheidsremmende maatregelen ingevoerd moeten worden.

De knip met paaltjes ten noorden van de Grote Markt blijft behouden, behalve tijdens de spitsuren. Tijdens de drukke ochtend- en avondspits, respectievelijk van 7 tot 9 uur en van 15.30 tot 19 uur, zal enkelrichtingsverkeer mogelijk zijn in de Predikherenlaan richting Blokstraat. Daartoe worden de paaltjes ter hoogte van de KTA-site vervangen door verzinkbare paaltjes of een andere toepassing.

Het voorstel zal volgende dinsdag ter goedkeuring voorgelegd worden aan het college van burgemeester en schepenen. De politie kan zich alvast vinden in deze suggesties tot aanpassing. De wijziging kan slechts ingaan na heraanleg van de Grote Markt.